Bron: www.rousseauonline.ch/home.php
Bibliografie van rousseauonline: 1758-augustus 1761, Openbare en Universitaire Bibliotheek van Genève (eerste versie); “Het manuscript met de (gedrukte) definitieve versie van Le Contrat social, is verdwenen.” De Pléiade-uitgave, deel III, p. 1866. Publicatie, Amsterdam, februari-maart 1762, Marc Michel Rey, enz.; de Pléiade-uitgave, deel III, pp. 347-470, 1866-1874. – Du Peyrou/Moultou 1780-1789, quarto-uitgave; deel I, pp. 187-360 (1782).
Copyright: Creative Commons 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/deed.nl)
Vertaling: MIA-Nederlandstalig
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

faederis aequas
Dicamus leges
Aeneis, boek XI
Boek 1
1. Onderwerp van het eerste boek
2. De eerste samenlevingen
3. Het recht van de sterkste
4. Slavernij
5. We moeten altijd terugkeren naar een eerste overeenkomst
6. Het maatschappelijk verdrag
7. De soeverein
8. De burgerlijke staat
9. De reële eigendom
Boek 2
1. De soevereiniteit is onvervreemdbaar
2. Dat soevereiniteit ondeelbaar is
3. De algemene wil is feilbaar?
4. De grenzen van de soevereine macht
5. Het recht op leven en dood
6. De wet
7. De wetgever
8. Het volk
9. Het volk (vervolg)
10. Het volk (vervolg)
11. De verschillende wetgevingssystemen
12. De indeling van de wetten
Boek 3
1. De overheid in het algemeen
2. Het grondwettelijk beginsel in de verschillende regeringsvormen
3. De indeling van regeringsvormen
4. Democratie
5. Aristocratie
6. Monarchie
7. Gemengde regeringsvormen
8. Niet alle regeringsvormen zijn voor alle landen geschikt
9. De kenmerken van een goed bestuur
10. Het misbruik van de regering en haar neiging tot degeneratie
11. De ondergang van het staatsbestel
12. Hoe de soevereine macht zichzelf in stand houdt
13. Hetzelfde (vervolg)
14. Hetzelfde (vervolg)
15. Afgevaardigden of vertegenwoordigers
16. Dat de instelling van de regering geen contract is
17. De instelling van de regering
18. Hoe de machtsmisbruiken van de regering in toom te houden
Boek 4
1. Dat de algemene wil onverwoestbaar is
2. Stemmen
3. Verkiezingen
4. De Romeinse comitia
5. Het tribunaat
6. De dictatuur
7. De censuur
8. Burgerlijke religie
9. Conclusie
Dit korte traktaat maakt deel uit van een omvangrijker werk, waaraan ik destijds ben begonnen zonder mijn krachten goed in te schatten, en dat ik al lang geleden heb opgegeven. Van de verschillende fragmenten die uit het voltooide werk konden worden gehaald, is dit het belangrijkste, en het leek mij het minst onwaardig om aan het publiek te worden aangeboden. De rest bestaat niet meer.
Ik wil onderzoeken of er in de burgerlijke orde een regel voor legitiem en veilig bestuur kan bestaan, waarbij ik de mensen neem zoals ze zijn en de wetten zoals ze kunnen zijn; ik zal er in dit onderzoek altijd naar streven, wat het recht toestaat te verenigen met wat het belang voorschrijft, opdat gerechtigheid en nut niet van elkaar gescheiden zouden zijn.
Ik begin zonder het belang van mijn onderwerp aan te tonen. Men zal mij vragen of ik een vorst of wetgever ben om over politiek te schrijven? Ik antwoord dat dit niet het geval is en dat ik juist daarom over politiek schrijf. Als ik een vorst of wetgever was, zou ik mijn tijd niet verspillen met te zeggen wat er moet gebeuren; ik zou het doen, of ik zou zwijgen.
Als burger van een vrije staat en lid van het soevereine volk geldt, hoe gering de invloed van mijn stem in openbare aangelegenheden ook moge zijn, dat het recht om daarover te stemmen voor mij voldoende is om mij te verplichten mij daarover te informeren. En telkens, wanneer ik over regeringen nadenk, ben ik blij dat ik bij mijn onderzoek steeds weer nieuwe redenen vind om van de regering van mijn land te houden!
De mens is vrij geboren, en toch is hij overal geketend. Sommigen menen de meester van anderen te zijn, maar zijn zelf niet minder slaaf dan zij. Hoe is deze verandering tot stand gekomen? Dat weet ik niet. Wat kan haar rechtvaardigen? Ik denk deze vraag te kunnen beantwoorden.
Als ik alleen naar de macht zou kijken, en het gevolg dat daaruit voortvloeit, zou ik zeggen: zolang een volk gedwongen wordt te gehoorzamen en gehoorzaamt, handelt het juist; zodra het het juk van zich af kan werpen en dat ook doet, handelt het nog beter: want door zijn vrijheid terug te winnen op grond van hetzelfde recht dat het hem heeft ontnomen, heeft het ofwel het recht om die vrijheid terug te nemen, ofwel had men het recht niet om die vrijheid van hem af te nemen. Maar de sociale orde is een heilig recht, dat als basis dient voor alle andere rechten. Dit recht komt echter niet voort uit de natuur; het is dus gebaseerd op overeenkomsten. De vraag is welke overeenkomsten dat zijn. Voordat ik daarop inga, moet ik eerst bewijzen wat ik zojuist heb betoogd.
De oudste van alle samenlevingen en de enige natuurlijke is die van het gezin. Toch blijven de kinderen slechts zolang aan de vader verbonden als zij hem nodig hebben om in leven te blijven. Zodra deze behoefte ophoudt, verdwijnt de natuurlijke band. De kinderen, bevrijd van de gehoorzaamheid die zij aan de vader verschuldigd waren, en de vader, bevrijd van de zorg die hij aan de kinderen verschuldigd was, keren allen in gelijke mate terug naar de onafhankelijkheid. Als zij verenigd blijven, is dat niet langer op natuurlijke wijze, maar vrijwillig, en het gezin zelf blijft alleen bestaan door een overeenkomst.
Deze gemeenschappelijke vrijheid vloeit voort uit de aard van de mens. De eerste wet is te zorgen voor zijn eigen voortbestaan; zijn eerste zorg geldt zichzelf, en zodra hij de leeftijd van het verstand heeft bereikt, wordt hij - als enige rechter over de middelen die geschikt zijn om zichzelf in stand te houden - daardoor zijn eigen meester.
Het gezin is dus, zo men wil, het eerste model van politieke samenlevingen; het hoofd is het evenbeeld van de vader, het volk is het evenbeeld van de kinderen, en aangezien allen gelijk en vrij geboren zijn, doen zij slechts afstand van hun vrijheid ten behoeve van hun eigen welzijn. Het enige verschil is dat in het gezin de liefde van de vader voor zijn kinderen hem beloont voor de zorg die hij hun schenkt, en dat in de staat het genoegen van het heersen in de plaats komt van die liefde die het staatshoofd niet voor zijn volk koestert.
Grotius ontkent dat elke menselijke macht ten bate van de geregeerden is ingesteld: hij geeft de slavernij als voorbeeld. Zijn gebruikelijke manier van redeneren is om het recht altijd op basis van het feit vast te stellen. [“Wetenschappelijk onderzoek naar het publiekrecht is vaak niet meer dan een geschiedenis van vroegere misstanden, en men heeft zich ten onrechte vastgebeten in deze materie door er al te veel aandacht aan te besteden.” Verhandeling over de belangen van Frankrijk ten opzichte van zijn buren, door de markies d’Argenson (gedrukt bij Rey in Amsterdam). Dat is precies wat Grotius heeft gedaan.] Men zou een consequentere methode kunnen hanteren, maar die zou minder gunstig zijn voor de tirannen.
Het is volgens Grotius dus twijfelachtig of het mensdom toebehoort aan een honderdtal mannen, of dat dit honderdtal mannen toebehoort aan het mensdom, en in zijn hele boek lijkt hij de voorkeur te geven aan de eerste opvatting: dat is ook de mening van Hobbes. Zo wordt de menselijke soort verdeeld in kuddes vee, waarvan elk zijn leider heeft, die hem bewaakt om hem vervolgens te verslinden.
Net zoals een herder een hogere aard heeft dan zijn kudde, zijn de herders van de mensen, die hun leiders zijn, ook van een hogere aard dan hun volkeren. Zo redeneerde, volgens het verslag van Philo, keizer Caligula; hij concludeerde uit deze analogie dat koningen goden waren, of dat de volkeren beesten waren.
De redenering van deze Caligula komt neer op die van Hobbes en Grotius. Aristoteles had, eerder dan zij beiden, ook al gezegd dat mensen van nature niet gelijk zijn, maar dat de ene geboren is voor de slavernij en de andere voor de heerschappij.
Aristoteles had gelijk, maar hij verwarde het gevolg met de oorzaak. Iedereen die in slavernij wordt geboren, is voor de slavernij bestemd; niets is zekerder. Slaven verliezen alles in hun ketenen, zelfs het verlangen om te ontkomen: zij houden van hun dienstbaarheid zoals de metgezellen van Odysseus van hun verdoving hielden. [Zie een korte verhandeling van Plutarchus, getiteld: Of dieren gebruik maken van de rede.] Als er dus slaven van nature zijn, dan is dat omdat er slaven tegen de natuur in zijn geweest. Geweld heeft de eerste slaven voortgebracht, hun lafheid heeft hen in stand gehouden.
Ik heb niets gezegd over koning Adam, noch over keizer Noach, de vader van drie grote vorsten die de wereld onder elkaar verdeelden, zoals de kinderen van Saturnus dat deden, die men in hen meende te herkennen. Ik hoop dat men mij deze terughoudendheid zal waarderen; want als rechtstreekse afstammeling van een van deze vorsten, en wellicht van de oudste tak, wie weet of ik bij verificatie van de titels niet de rechtmatige koning van het mensdom zou blijken te zijn? Hoe het ook zij, men kan niet ontkennen dat Adam de heerser van de wereld was, net zoals Robinson dat van zijn eiland was, zolang hij de enige bewoner was; en het handige aan dit rijk was dat de vorst, veilig op zijn troon, noch opstanden, noch oorlogen, noch samenzweerders hoefde te vrezen.
De sterkste is nooit sterk genoeg om altijd de heerser te blijven, tenzij hij zijn kracht in recht omzet en gehoorzaamheid in plicht. Vandaar het recht van de sterkste; een recht dat ogenschijnlijk ironisch wordt opgevat, maar in werkelijkheid als principe is vastgelegd: maar zal men ons dit begrip ooit uitleggen? Kracht is een fysieke macht; ik zie niet in welke moraal uit de gevolgen ervan kan voortvloeien. Toegeven aan kracht is een daad van noodzaak, niet van wil; het is hooguit een daad van voorzichtigheid. In welke zin zou dit een plicht kunnen zijn?
Laten we dit zogenaamde recht even aannemen. Ik zeg dat er alleen maar onbegrijpelijk gebrabbel uit voortvloeit. Want zodra kracht het recht bepaalt, verandert het gevolg met de oorzaak; elke kracht die de eerste overwint, neemt diens recht over. Zodra men straffeloos ongehoorzaam kan zijn, kan men dat ook legitiem doen, en aangezien de sterkste altijd gelijk heeft, gaat het er alleen om ervoor te zorgen dat men de sterkste is. Maar wat is een recht dat ten onder gaat wanneer de macht ophoudt? Als men uit dwang moet gehoorzamen, hoeft men niet uit plicht te gehoorzamen, en als men niet langer gedwongen is te gehoorzamen, is men er ook niet langer toe verplicht. Men ziet dus dat dit woord ‘recht’ niets toevoegt aan de macht; het betekent hier helemaal niets.
Gehoorzaam de gezagsdragers. Als dat betekent: geef toe aan de dwang, dan is het voorschrift goed, maar overbodig; ik antwoord dat het nooit zal worden overtreden. Alle macht komt van God, dat geef ik toe; maar elke ziekte komt ook van Hem. Betekent dit dat het verboden is de dokter te roepen? Stel dat een rover mij bij de rand van een bos overvalt; niet alleen moet ik hem onder geweld mijn beurs geven, maar als ik dat kan verhinderen, ben ik dan naar mijn geweten verplicht die te geven? Want uiteindelijk is het pistool dat hij vasthoudt ook een macht.
Laten we het er dus over eens zijn dat macht geen recht is, en dat men alleen verplicht is om legitieme gezaghebbenden te gehoorzamen. Zo komt mijn oorspronkelijke vraag steeds weer terug.
Aangezien geen enkel mens een natuurlijk gezag over zijn medemens bezit, en aangezien macht geen enkel recht voortbrengt, blijven overeenkomsten dus de grondslag van elk legitiem gezag onder de mensen.
Als een individu, zegt Grotius, zijn vrijheid kan vervreemden en zich tot slaaf van een meester kan maken, waarom zou dan een heel volk zijn vrijheid niet kunnen vervreemden en zich onderwerpen aan een koning? Er zijn hier veel dubbelzinnige woorden die uitleg behoeven, maar laten we ons beperken tot het woord ‘vervreemden’. Vervreemden is weggeven of verkopen. Maar een mens die zich tot slaaf van een ander maakt, geeft zichzelf niet weg, hij verkoopt zichzelf, althans voor zijn levensonderhoud; maar waarom zou een volk zich verkopen? Een koning voorziet zijn onderdanen allerminst van levensonderhoud, maar haalt zijn eigen levensonderhoud juist uit hen, en volgens Rabelais leeft een koning niet op kleine voet. Geven de onderdanen zich dus op voorwaarde dat ook hun bezit wordt afgenomen? Ik zie niet in wat er voor hen nog overblijft om te behouden.
Men zal zeggen dat de despoot zijn onderdanen burgerlijke rust garandeert. Goed dan; maar wat hebben zij eraan, als de oorlogen die zijn ambitie over hen afroept, als zijn onverzadigbare hebzucht, als de verdrukking door zijn bewind hen meer teisteren dan hun onderlinge onenigheden zouden doen? Wat hebben zij eraan als juist die rust, hun ellende is? Ook in kerkers leeft men rustig; is dat voldoende om zich daar goed te voelen? De Grieken die opgesloten zaten in de grot van de Cycloop leefden daar rustig, hun beurt afwachtend om verslonden te worden.
Zeggen dat een mens zich vrijwillig weggeeft, is iets absurds en onvoorstelbaars beweren; een dergelijke daad is onwettig en nietig, alleen al omdat degene die haar verricht niet bij zijn volle verstand is. Hetzelfde zeggen van een heel volk, is veronderstellen dat het een volk van dwazen is: waanzin geeft geen recht.
Hoewel iedereen zichzelf zou kunnen vervreemden, kan hij zijn kinderen niet vervreemden; zij worden als mensen en vrijen geboren; hun vrijheid behoort hun toe, niemand heeft het recht erover te beschikken behalve zijzelf. Voordat zij de jaren des onderscheids hebben bereikt, kan de vader namens hen voorwaarden vastleggen voor hun behoud en welzijn; maar hij mag hen niet onherroepelijk en onvoorwaardelijk weggeven; want een dergelijke schenking is in strijd met de bedoelingen van de natuur en overschrijdt de rechten van het vaderschap. Om een willekeurige regering legitiem te laten zijn, zou het volk dus in elke generatie zelf moeten kunnen beslissen of het deze aanvaardt of verwerpt; maar dan zou deze regering niet langer willekeurig zijn.
Afstand doen van zijn vrijheid betekent afstand doen van zijn mens-zijn, van de rechten van het mensdom, zelfs van zijn plichten. Er is geen enkele mogelijke compensatie voor wie van alles afstand doet. Een dergelijke verzaking is onverenigbaar met de menselijke aard, en het ontnemen van alle wilsvrijheid betekent dat men zijn handelingen van elke moraliteit ontdoet. Ten slotte is het een zinloze en tegenstrijdige overeenkomst om enerzijds absolute autoriteit vast te leggen en anderzijds grenzeloze gehoorzaamheid. Is het niet duidelijk dat men tot niets verplicht is jegens degene van wie men het recht heeft alles te eisen? En leidt deze ene voorwaarde, zonder tegenprestatie, zonder ruil, niet tot de nietigheid van de overeenkomst? Want welk recht zou de slaaf tegen mij hebben, aangezien alles wat hij bezit mij toebehoort, en aangezien zijn recht het mijne is, is dit recht van mij tegen mijzelf een uitdrukking die geen enkele betekenis heeft.
Grotius en de anderen leiden uit de oorlog een andere oorsprong af van het zogenaamde recht op slavernij. Aangezien de overwinnaar volgens hen het recht heeft de overwonnen te doden, kan deze laatste zijn leven afkopen ten koste van zijn vrijheid; een overeenkomst die des te legitiemer is omdat zij beide partijen ten goede komt.
Maar het is duidelijk dat dit zogenaamde recht om de verslagenen te doden op geen enkele wijze voortvloeit uit de oorlogssituatie. Alleen al omdat mensen die in hun oorspronkelijke onafhankelijkheid leven, onderling geen voldoende vaste band hebben om noch een vredestoestand, noch een oorlogstoestand te vormen, zijn zij van nature geen vijanden. Het is de verhouding tussen de dingen - en niet tussen de mensen - die oorlog veroorzaakt; en aangezien de staat van oorlog niet kan voortkomen uit louter persoonlijke verhoudingen, maar uitsluitend uit feitelijke verhoudingen [mais seulement des relations réelles], kan er geen sprake zijn van een particuliere oorlog of een oorlog van mens tegen mens, niet in de natuurlijke toestand, waar geen concrete eigendom [propriété constante] bestaat, niet in de maatschappelijke toestand, waar alles onder het gezag van de wetten staat.
Privégevechten, duels en confrontaties zijn handelingen die geenszins een rechtsstatus vormen; en wat betreft de particuliere oorlogen, die waren toegestaan krachtens de verordeningen van Lodewijk IX, koning van Frankrijk, en die door de godsvrede werden opgeschort, zijn dit misbruiken van het feodale bestel - een systeem dat, als er ooit een absurd systeem heeft bestaan, in strijd is met de beginselen van het natuurrecht en met elk goed bestuur.
Oorlog is dus geen verhouding van mens tot mens, maar een verhouding van staat tot staat, waarin individuen slechts incidenteel vijanden zijn, niet als mensen, noch zelfs als burgers, [De Romeinen, die het oorlogsrecht beter begrepen en meer eerbiedigden dan enig ander volk ter wereld, gingen in dit opzicht zo ver dat het een burger niet was toegestaan als vrijwilliger te dienen zonder zich uitdrukkelijk tegen de vijand te hebben gekeerd, en wel tegen een bepaalde vijand. Toen een legioen waarin Cato de Jongere onder Popilius zijn eerste wapenfeiten verrichtte, werd ontbonden, schreef Cato de Oude aan Popilius dat, indien hij wilde dat zijn zoon hem zou blijven dienen, hij hem een nieuwe militaire eed moest laten afleggen, omdat de eerste ongeldig was geworden en hij daardoor niet langer de wapens tegen de vijand mocht opnemen. En diezelfde Cato schreef aan zijn zoon dat hij zich goed moest hoeden om zich in de strijd te begeven voordat hij deze nieuwe eed had afgelegd. Ik weet dat men mij de belegering van Clusium en andere specifieke gebeurtenissen als tegenargument kan aanvoeren. Maar ik haal wetten en gebruiken aan. De Romeinen zijn degenen die hun wetten het minst hebben overtreden, en zij zijn de enigen die zulke prachtige wetten hebben gehad.] maar als soldaten; niet als leden van het vaderland, maar als verdedigers ervan. Ten slotte kan elke staat alleen andere staten als vijanden hebben en geen individuen, aangezien er tussen zaken van verschillende aard geen echte relatie kan worden vastgesteld.
Dit beginsel is zelfs in overeenstemming met de sinds mensenheugenis gevestigde stelregels en met de vaste praktijk van alle beschaafde volkeren. Oorlogsverklaringen zijn niet zozeer waarschuwingen aan de mogendheden dan aan hun onderdanen. De vreemdeling, of het nu een koning, een individu of een volk is, die onderdanen berooft, doodt of gevangen houdt zonder de vorst de oorlog te verklaren, is geen vijand, maar een rover. Zelfs midden in een oorlog neemt een rechtvaardige vorst in vijandelijk gebied weliswaar alles in beslag wat aan de gemeenschap toebehoort, maar hij respecteert de persoon en de bezittingen van individuen: hij eerbiedigt de rechten waarop zijn eigen rechten zijn gegrondvest. Aangezien het doel van de oorlog de vernietiging van de vijandelijke staat is, heeft men het recht de verdedigers ervan te doden zolang zij de wapens in de hand hebben, maar zodra zij deze neerleggen en zich overgeven, en daarmee ophouden vijanden of instrumenten van de vijand te zijn, worden zij weer gewoon mensen en heeft men geen recht meer op hun leven. Soms kan men de staat vernietigen zonder ook maar één van zijn leden te doden; de oorlog verleent echter geen enkel recht dat niet noodzakelijk is voor het bereiken van dit doel. Deze beginselen zijn niet die van Grotius; ze zijn niet gebaseerd op de autoriteit van dichters, maar vloeien voort uit de aard der dingen en zijn gegrondvest op de rede.
Wat het veroveringsrecht betreft, heeft dit geen andere grondslag dan de wet van de sterkste. Als de oorlog de overwinnaar niet het recht geeft om de verslagen volkeren af te slachten, kan dit recht dat hij niet heeft, evenmin de grondslag vormen voor het recht om hen tot slaaf te maken. Men heeft alleen het recht de vijand te doden wanneer men hem niet tot slaaf kan maken; het recht om hem tot slaaf te maken vloeit dus niet voort uit het recht om hem te doden: het is dan ook een onrechtvaardige ruil om hem zijn leven, waarop men geen enkel recht heeft, te laten kopen ten koste van zijn vrijheid. Door het recht op leven en dood boven het recht op slavernij te stellen, en het recht op slavernij boven het recht op leven en dood, is het dan niet duidelijk dat men in een vicieuze cirkel terechtkomt?
Zelfs als we dit afschuwelijke recht om alles te doden zouden aannemen, zeg ik dat een slaaf die in oorlog is, of een overwonnen volk, jegens zijn meester tot niets anders verplicht is dan hem te gehoorzamen voor zover hij daartoe gedwongen wordt. Door een tegenwaarde voor zijn leven te nemen, heeft de overwinnaar hem geen genade geschonken; in plaats van hem vruchteloos te doden, heeft hij hem nuttig gedood. Het is dus verre van, dat hij enige met geweld gepaard gaande autoriteit over hem heeft verworven; de staat van oorlog blijft tussen hen bestaan zoals voorheen, hun verhouding zelf is daar het gevolg van en de uitoefening van het oorlogsrecht veronderstelt geen enkel vredesverdrag. Hebben ze een overeenkomst gesloten; goed dan; maar deze overeenkomst vernietigt de staat van oorlog geenszins, maar veronderstelt juist de voortzetting ervan.
Hoe men de zaken ook bekijkt, het recht op slavernij is nietig, niet alleen omdat het onrechtmatig is, maar ook omdat het absurd is en niets betekent. De woorden ‘slavernij’ en ‘recht’ zijn tegenstrijdig; ze sluiten elkaar wederzijds uit. Of het nu gaat om een mens ten opzichte van een mens, of om een mens ten opzichte van een volk, deze redenering zal altijd even onzinnig zijn. Ik sluit met jou een overeenkomst die volledig ten laste van jou is en volledig in mijn voordeel, die ik zal naleven zolang het mij behaagt, en die jij zult naleven zolang het mij behaagt.
Zelfs als ik alles zou aanvaarden wat ik tot nu toe heb weerlegd, zouden de voorstanders van het despotisme er niet beter van worden. Er zal altijd een groot verschil zijn tussen het onderwerpen van een menigte en het besturen van een samenleving. Dat verspreide mensen achtereenvolgens aan één persoon onderworpen worden, hoe talrijk zij ook zijn, daar zie ik slechts een meester en slaven: ik zie daarin geen volk en zijn leider; het is, zo men wil, een verzameling, maar geen vereniging; er is daar noch algemeen welzijn, noch een politiek lichaam. Zelfs als deze man de helft van de wereld zou hebben onderworpen, blijft hij slechts een individu; zijn belang, los van dat van anderen, blijft slechts een particulier belang. Mocht deze zelfde man komen te overlijden, dan blijft zijn rijk na hem versnipperd en zonder samenhang; zoals een eik uiteenvalt en in een hoop as verandert, nadat het vuur hem heeft verteerd.
Een volk, zegt Grotius, kan zich aan een koning geven. Volgens Grotius is een volk dus al een volk voordat het zich aan een koning geeft. Deze overgave zelf is een burgerlijke handeling; zij veronderstelt een openbare beraadslaging. Voordat we dus de handeling onderzoeken waarmee een volk een koning kiest, is het goed om de handeling te onderzoeken waardoor een volk een volk is. Want aangezien deze handeling noodzakelijkerwijs voorafgaat aan de andere, vormt zij het ware fundament van de samenleving.
Inderdaad, als er geen eerdere overeenkomst zou zijn, waar zou dan - tenzij de verkiezing unaniem zou zijn - de verplichting liggen voor de minderheid om zich te onderwerpen aan de keuze van de meerderheid, en waar halen honderd mensen die een heerser willen, het recht vandaan om te stemmen voor de tien die er geen willen? De wet van de meerderheid van stemmen is zelf een vastgelegde overeenkomst en veronderstelt ten minste één keer unanimiteit.
Ik veronderstel dat de mensen het punt hebben bereikt waarop de obstakels die hun voortbestaan in de natuurlijke toestand in de weg staan, door hun weerstand de overhand hebben op de krachten die elk individu kan inzetten om zich in die toestand te handhaven. Dan kan deze oorspronkelijke toestand niet langer voortbestaan en zou het mensdom ten onder gaan als het zijn manier van bestaan niet zou veranderen.
Aangezien de mensen echter geen nieuwe krachten kunnen genereren, maar slechts de bestaande kunnen verenigen en sturen, hebben zij geen ander middel om zich te handhaven dan door samenwerking een kracht te vormen die de weerstand kan overwinnen, deze in te zetten vanuit één drijfveer en in onderlinge samenwerking te laten optreden.
Deze som van krachten kan alleen ontstaan uit de samenwerking van velen; maar aangezien de kracht en de vrijheid van elke mens de belangrijkste middelen voor zijn voortbestaan zijn, hoe zal hij deze dan inzetten zonder zichzelf te schaden en zonder de zorg voor zichzelf te verwaarlozen? Deze moeilijkheid, toegepast op mijn onderwerp, kan als volgt worden geformuleerd:
“Vind een vorm van vereniging die met alle gezamenlijke kracht de persoon en de bezittingen van elk lid verdedigt en beschermt, en waarbij iedereen zich weliswaar met allen verenigt, maar niettemin alleen aan zichzelf gehoorzaamt en even vrij blijft als voorheen.”
Dat is het fundamentele probleem waarop het sociale contract de oplossing biedt.
De bepalingen van dit contract worden zo sterk bepaald door de aard van de handeling, dat de geringste wijziging ze zinloos en ongeldig zou maken; zodat – hoewel misschien nooit formeel vastgelegd – ze overal dezelfde zijn, overal stilzwijgend aanvaard en erkend, totdat, wanneer het sociale pact wordt geschonden, ieder zijn oorspronkelijke rechten terugkrijgt; zijn natuurlijke vrijheid herwint en de conventionele vrijheid verliest waarvan hij afstand had gedaan.
Deze bepalingen komen, goed begrepen, allemaal neer op één ding, namelijk de volledige overdracht door elke deelnemer van al zijn rechten aan de gehele gemeenschap. Want ten eerste, aangezien iedereen zich volledig overgeeft, is de voorwaarde voor iedereen gelijk, en aangezien de voorwaarde voor iedereen gelijk is, heeft niemand er belang bij deze voor de anderen bezwarend te maken.
Bovendien is de vereniging, aangezien de overdracht zonder voorbehoud plaatsvindt, zo volmaakt als maar kan en heeft geen enkel lid nog iets te eisen: want als er nog enkele rechten aan individuen zouden overblijven, zou er geen gemeenschappelijke autoriteit zijn die tussen hen en het algemeen belang zou kunnen oordelen; en aangezien ieder op een bepaald punt zijn eigen rechter zou zijn, zou hij al snel aanspraak maken op het recht om dat in alle opzichten te zijn, waardoor de natuurlijke toestand zou voortduren en de vereniging noodzakelijkerwijs tiranniek of zinloos zou worden.
Ten slotte: doordat iedereen zich aan iedereen geeft, geeft men zich aan niemand, en aangezien er geen enkele medemens is ten opzichte van wie men niet hetzelfde recht verwerft als men hem op basis van vertrouwen afstaat, wint men het equivalent van alles wat men verliest, en meer kracht om te behouden wat men heeft.
Als men dus uit het sociale pact dat weglaat wat niet tot de essentie behoort, zal men zien dat het zich tot het volgende laat herleiden: “Ieder van ons stelt zijn persoon en al zijn kracht in gemeenschap onder de hoogste leiding van de algemene wil; en wij aanvaarden als geheel elk lid als een ondeelbaar deel van het geheel.”
Op dat moment schept deze handeling, in plaats van de individuele persoon als contractant, een moreel en collectief lichaam, bestaande uit evenveel leden als de gemeenschap stemmen telt, en uit diezelfde handeling ontleent het zijn eenheid, zijn gemeenschappelijk ‘ik’, zijn leven en zijn wil. Deze publieke entiteit, die aldus ontstaat uit de vereniging van alle andere, werd vroeger de “stadstaat” genoemd en wordt nu de “republiek” of “politiek lichaam” genoemd, dat door zijn leden “staat” wordt genoemd wanneer het passief is, “soeverein” wanneer het actief is, en “macht” wanneer het met soortgelijke entiteiten wordt vergeleken. [De ware betekenis van dit woord is bij de moderne mensen bijna volledig verdwenen; de meesten verwarren een stad met een ‘cité’ en een burger met een ‘citoyen’. Zij weten niet dat huizen de stad vormen, maar dat de burgers de ‘cité’ vormen. Diezelfde vergissing kwam de Carthagers duur te staan. Ik heb nergens gelezen dat de titel ‘Cives’ ooit aan een vorst is toegekend, zelfs niet in het verleden aan de Macedoniërs, noch tegenwoordig aan de Engelsen, hoewel zij dichter bij de vrijheid staan dan alle anderen. Alleen de Fransen gebruiken de naam ‘burgers’ heel nonchalant, omdat ze er geen echt begrip van hebben, zoals te zien is in hun woordenboeken; anders zouden ze, door deze naam onrechtmatig te gebruiken, zich schuldig maken aan majesteitsschennis: bij hen drukt deze naam een deugd uit en geen recht. Toen Bodin het over onze ‘burgers’ en ‘stadsburgers’ wilde hebben, beging hij een grove blunder door de ene groep voor de andere aan te merken. De heer d’Alembert heeft zich daarin niet vergist en heeft in zijn artikel over Genève een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de vier klassen van mensen (zelfs vijf, als men de gewone vreemdelingen meetelt) die in onze stad aanwezig zijn, en waarvan er slechts twee de Republiek vormen. Geen enkele andere Franse auteur, voor zover ik weet, heeft de ware betekenis van het woord ‘burger’ begrepen.] Wat de leden betreft: zij worden gezamenlijk het ‘volk’ genoemd, en noemen zichzelf in het bijzonder ‘burgers’, omdat zij deel hebben aan het soevereine gezag, en ‘onderdanen’, omdat zij onderworpen zijn aan de wetten van de staat. Maar deze termen worden vaak door elkaar gehaald en voor elkaar gebruikt; het volstaat ze te kunnen onderscheiden wanneer ze in hun volle betekenis worden gebruikt.
Uit deze formulering blijkt dat de verenigingsakte een wederzijdse verbintenis tussen het volk en de individuen inhoudt en dat elk individu dat, om zo te zeggen, een overeenkomst met zichzelf sluit, in tweevoud gebonden is; namelijk als lid van de soeverein jegens de individuen, en als lid van de staat jegens de soeverein. Maar men kan hier de stelregel van het burgerlijk recht niet toepassen, dat niemand gebonden is door een overeenkomst met zichzelf; want er is wel degelijk een verschil tussen zich jegens zichzelf te verplichten, of jegens een geheel waarvan men deel uitmaakt.
Er moet bovendien worden opgemerkt dat de openbare beraadslaging, die alle onderdanen verplichtingen jegens de soeverein kan opleggen vanwege de twee verschillende verhoudingen waarin elk van hen wordt beschouwd, omgekeerd de soeverein geen verplichtingen jegens zichzelf kan opleggen; en dat het bijgevolg in strijd is met de aard van het staatsbestel dat de soeverein zichzelf een wet oplegt die hij niet mag overtreden. Aangezien hij zichzelf slechts vanuit één en dezelfde hoedanigheid kan beschouwen, bevindt hij zich dan in de situatie van een individu die een overeenkomst met zichzelf sluit: waaruit blijkt dat er geen enkele vorm van fundamentele wet bestaat die bindend is voor het volk als een lichaam, zelfs niet het sociaal contract. Dit betekent echter niet dat dit lichaam zich niet uitstekend ten opzichte van anderen kan verbinden, voor zover dit niet in strijd is met dit contract; want ten opzichte van de vreemdeling wordt het een eenvoudig wezen, een individu.
Maar aangezien het staatsapparaat of de soeverein zijn bestaan uitsluitend ontleent aan de heiligverklaring van het contract, kan het zich nooit, zelfs niet jegens anderen, verbinden tot iets dat afwijkt van deze oorspronkelijke akte, zoals het afstaan van een deel van zichzelf of het onderwerpen aan een andere soeverein. Het schenden van de akte waardoor het bestaat, zou neerkomen op zelfvernietiging, en wat niets is, brengt niets voort.
Zodra deze menigte aldus tot één lichaam is verenigd, kan men geen van de leden schaden zonder het lichaam aan te vallen; en nog minder het lichaam schaden zonder dat de leden daar de gevolgen van ondervinden. Zo verplichten zowel de plicht als het eigenbelang beide contractpartijen ertoe elkaar wederzijds bij te staan en moeten dezelfde mensen trachten alle voordelen die hiermee samenhangen in dit dubbele opzicht te verenigen.
Welnu, aangezien de soeverein slechts bestaat uit de individuen waaruit hij is samengesteld, heeft hij geen belangen die tegengesteld zijn aan die van hen, noch kan hij die hebben; bijgevolg heeft de soevereine macht geen enkele behoefte aan een waarborg jegens de onderdanen; want het is onmogelijk dat het lichaam al zijn leden kwaad wil doen; en wij zullen hierna zien dat het geen enkel lid afzonderlijk kwaad kan doen. De soeverein is, louter door het feit dat hij bestaat, altijd alles wat hij moet zijn.
Dit geldt echter niet voor de onderdanen ten opzichte van de soeverein, aan wie - ondanks het gemeenschappelijk belang - niets van hun verplichtingen zou worden nagekomen, indien hij geen middelen zou vinden om zich van hun trouw te verzekeren.
Elk individu kan immers, als mens, een eigen wil hebben die tegengesteld is aan of verschilt van de algemene wil die hij heeft als burger. Zijn eigenbelang kan hem op een heel andere manier aanspreken dan het algemeen belang; zijn absolute en van nature onafhankelijke bestaan kan hem ertoe brengen wat hij aan de gemeenschappelijke zaak verschuldigd is te beschouwen als een vrijwillige bijdrage, waarvan het verlies voor anderen minder schadelijk zal zijn dan de kosten ervan voor hemzelf; en aangezien hij de rechtspersoon die de staat vormt beschouwt als een rationeel wezen - omdat het geen mens is - zou hij de burgerrechten genieten zonder de plichten van een onderdaan, een onrechtvaardigheid waarvan de opmars de ondergang van het staatsbestel zou veroorzaken.
Opdat het sociaal pact geen loze formaliteit zou zijn, bevat het stilzwijgend dit engagement, die als enige de andere macht kan geven, namelijk dat eenieder die weigert de algemene wil te gehoorzamen, daartoe door het apparaat zal worden gedwongen: wat niets anders betekent dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn; want dit is de voorwaarde die, doordat elke burger zich aan het vaderland geeft, hem vrijwaart van elke vorm van persoonlijke afhankelijkheid;; een voorwaarde die de kern en werking van het apparaat vormt en als enige de burgerlijke verbintenissen legitiem maakt, die zonder deze voorwaarde absurd, tiranniek en vatbaar voor de meest enorme misbruiken zou zijn.
Deze overgang van de natuurstaat naar de burgerlijke staat brengt bij de mens een opmerkelijke verandering teweeg, doordat in zijn gedrag gerechtigheid in de plaats komt van het instinct en zijn handelingen de moraliteit krijgen die ze voorheen ontbeerden. Pas dan, wanneer de stem van de plicht de plaats inneemt van de fysieke impuls en het recht de plaats van de begeerte, ziet de mens, die tot dan toe alleen naar zichzelf had gekeken, zich gedwongen volgens andere principes te handelen en zijn verstand te raadplegen alvorens naar zijn neigingen te luisteren. Hoewel hij zich in deze toestand berooft van de vele voordelen van de natuur, wint hij er grote voor terug: zijn vermogens worden geoefend en ontwikkeld, zijn ideeën verbreed, zijn gevoelens worden veredeld, zijn hele ziel verheft zich zodanig dat, als de misbruiken van deze nieuwe toestand hem niet vaak zouden verlagen tot onder het niveau waaruit hij is voortgekomen, zou hij toch onophoudelijk het moment moeten zegenen dat hem daar voorgoed uit heeft gerukt, en dat van een dom en bekrompen dier een intelligent wezen en een mens heeft gemaakt.
Laten we deze hele afweging terugbrengen tot termen die gemakkelijk te vergelijken zijn. Wat de mens door het maatschappelijk contract verliest, is zijn natuurlijke vrijheid en een onbeperkt recht op alles wat hem aanspreekt en wat hij kan bereiken; wat hij wint, is de burgerlijke vrijheid en het eigendom van alles wat hij bezit. Om zich in deze afwegingen niet te vergissen, moet men een duidelijk onderscheid maken tussen de natuurlijke vrijheid, die alleen door de kracht van het individu wordt begrensd, en de burgerlijke vrijheid, die door de algemene wil wordt beperkt; en tussen het bezit, dat slechts het gevolg is van kracht of het recht van de eerste inbezitnemer, en het eigendom, dat alleen op een rechtstitel kan berusten.
Aan het bovenstaande zou men aan de verworvenheden van de burgerlijke staat de morele vrijheid kunnen toevoegen, die als enige de mens werkelijk meester over zichzelf maakt; want het louter laten leiden door begeerte is slavernij, en gehoorzaamheid aan de wet die men zichzelf heeft opgelegd is vrijheid. Maar ik heb hierover al meer dan genoeg gezegd en de filosofische betekenis van het woord vrijheid valt hier buiten mijn onderwerp.
Elk lid van de gemeenschap geeft zich aan de gemeenschap op het moment dat deze tot stand komt, zoals hij op dat moment is, met al zijn krachten, waaronder zijn bezittingen. Het is niet zo dat door deze handeling het bezit van aard verandert door van eigenaar te wisselen, en tot eigendom wordt in de handen van de soeverein; maar aangezien de macht van de staat onvergelijkbaar groter is dan die van een individu, is het openbaar bezit in feite ook sterker en onherroepelijker, zonder dat het legitiemer is, althans voor buitenstaanders. Want de staat is ten opzichte van zijn leden heer en meester over al hun bezittingen door het sociaal contract, dat in de staat als grondslag dient voor alle rechten; maar ten opzichte van andere mogendheden is hij dat alleen door het recht van de eerste inbezitneming, dat hij overnam van de individuen.
Het recht van de eerste bezitter, hoewel reëler dan dat van de sterkste, wordt pas een echt recht na het vestigen van het eigendomsrecht. Ieder mens heeft van nature recht op alles wat voor hem noodzakelijk is; maar de positieve handeling die hem eigenaar maakt van een bepaald goed, sluit hem uit van al het overige. Nu zijn deel is vastgesteld, moet hij zich daartoe beperken en heeft hij geen enkel recht meer op de gemeenschap. Daarom verdient het recht van de eerste inbezitnemer, dat in de natuurlijke toestand zo zwak is, het respect van elke beschaafde mens. Men respecteert in dit recht wat aan anderen toebehoort minder dan wat niet aan zichzelf toebehoort.
Over het algemeen zijn de volgende voorwaarden nodig om het recht van de eerste inbezitnemer op een stuk grond te rechtvaardigen. Ten eerste dat dit stuk grond nog door niemand bewoond wordt; ten tweede dat men er slechts zoveel van in bezit neemt als nodig is om in leven te blijven; ten derde dat men er bezit van neemt, niet door een nutteloze ceremonie, maar door arbeid en teelt, het enige blijk van eigendom dat, bij gebrek aan juridische titels, door anderen moet worden gerespecteerd.
Is het toekennen van het recht van de eerste bezitter aan behoefte en arbeid immers niet gelijk aan het recht, dit zo ver uit te breiden als het maar kan? Kan men aan dit recht geen grenzen stellen? Is het voldoende om een voet op het gemeenschappelijk terrein te zetten om er onmiddellijk aanspraak op te maken als eigenaar? Is het voldoende om de macht te hebben anderen er van weg te houden om hen het recht te ontnemen er ooit nog terug te keren? Hoe kan een mens of een volk zich een uitgestrekt gebied toe-eigenen en de gehele mensheid daarvan beroven, anders dan door een strafbare usurpatie, aangezien dit de overige mensen de woonplaats en het levensonderhoud ontneemt die de natuur hun gezamenlijk schenkt? Toen Núñez de Balboa vanaf de kust bezit nam van de Zuidzee en heel Zuid-Amerika in naam van de kroon van Castilië, was dat dan voldoende om alle bewoners daarvan te onteigenen en alle vorsten van de wereld daarvan uit te sluiten? Op die manier namen deze plechtigheden nogal zinloos toe, en de katholieke koning hoefde alleen maar vanuit zijn kabinet in één klap bezit te nemen van de gehele wereld; waarbij hij achteraf slechts een voorbehoud hoeft te maken ten aanzien van wat reeds in het bezit was van andere vorsten.
Men begrijpt hoe de samengevoegde en aaneengesloten gronden van de individuen openbaar domein worden, en hoe het soevereiniteitsrecht, dat zich uitstrekt van de onderdanen tot het land dat zij bewonen, tegelijkertijd reëel en persoonlijk wordt; wat de bezitters in een grotere afhankelijkheid plaatst, en hun eigen krachten hun trouw waarborgt. Een voordeel dat niet goed lijkt te zijn begrepen door vroegere vorsten, die zich slechts koningen van de Perzen, de Scythen en de Macedoniërs noemden en zichzelf eerder als leiders van de mensen dan als heersers over het land leken te beschouwen. De heersers van vandaag noemen zich behendig koningen van Frankrijk, Spanje, Engeland, enz. Door op deze manier hun positie te behouden, zijn ze er zeker van dat ze de inwoners onder hun hoede houden.
Het bijzondere aan deze vervreemding is dat de gemeenschap, door de bezittingen van individuen te aanvaarden, deze geenszins van hun bezit berooft, maar juist hun rechtmatige bezit ervan waarborgt, de onrechtmatige toe-eigening omzet in een waar recht, en het genot in eigendom. Aangezien de eigenaars worden beschouwd als hoeders van het algemeen belang, hun rechten door alle leden van de staat worden gerespecteerd en met alle kracht tegen buitenlandse invloeden worden verdedigd, hebben zij - door een overdracht die gunstig is voor het algemeen belang en nog meer voor henzelf - als het ware alles verworven wat zij hebben afgestaan. Een paradox die gemakkelijk te verklaren is door het onderscheid tussen de rechten die de soeverein en de eigenaar op hetzelfde land hebben, zoals hierna zal blijken.
Het kan ook voorkomen dat mensen zich beginnen te verenigen voordat zij iets bezitten, en dat zij, nadat zij vervolgens voldoende grond voor iedereen in bezit hebben genomen, daarvan gezamenlijk genieten, of dat zij deze onderling verdelen, hetzij gelijkelijk, hetzij volgens verhoudingen die door de soeverein zijn vastgesteld. Op welke wijze dit ook plaatsvindt, het recht dat elk individu op zijn eigen grond heeft, is altijd ondergeschikt aan het recht dat de gemeenschap op alle grond heeft; anders zou er noch stabiliteit in de sociale samenhang zijn, noch echte macht in de uitoefening van de soevereiniteit.
Ik sluit dit hoofdstuk en dit boek met een opmerking die als basis moet dienen voor het gehele sociale stelsel: namelijk dat het fundamentele pact, in plaats van de natuurlijke gelijkheid te vernietigen, juist een morele en legitieme gelijkheid in de plaats stelt van de fysieke ongelijkheid die de natuur tussen de mensen had kunnen aanbrengen, en dat zij, hoewel zij ongelijk kunnen zijn in kracht of talent, door overeenkomst en van rechtswege allen gelijk worden. [Onder slecht bestuur is deze gelijkheid slechts schijnbaar en illusoir; zij dient alleen om de arme in zijn ellende en de rijke in zijn onrechtmatige bezit te houden. In feite zijn wetten altijd nuttig voor degenen die bezitten en schadelijk voor degenen die niets hebben: daaruit volgt dat de maatschappelijke toestand voor de mensen slechts voordelig is voor zover zij allen iets hebben en geen van hen te veel heeft.]